Nieuws George Moormann Stadsdichter De Zingende Zaag Contact
Biografie


Interviews met George Moormann

- Hoe beter het bestuur, hoe beter zijn narren
Arjan Post - Binnenlands Bestuur, 4 maart 2005

- Geen verlengstuk van de gemeente
Martin Hendriksma – Haarlems Dagblad, 26 oktober 2004

- Het visitekaartje van Haarlem
Stephanie Hoogstede - De Telegraaf d.d. oktober 2004 (nog scannen)

- Stadsdichter wil Haarlem bezielen
Stadsblad, 11 maart 2004

- Een en een is drie, George Moormann over het fenomeen De Zingende Zaag
Fleur Speet - de Poëziekrant, jan-feb. 2003

- Meer dan een regen inkt op papier
Cornald Maas – de Volkskrant, 25 november 1994

Artikelen van George Moormann

“Er ligt letterlijk een schat in het Spaarne”
Schat aan het Spaarne, april 2004

Overige artikelen over George Moormann

- George Moormann stadsdichter
Martin Hendriksma - Haarlems Dagblad, 16 februari 2004

- Hoe Nicolaas een snoek de Beek uit bidt
Ko van Leeuwen - Haarlems Dagblad , 11 november 2003

Arjan Post – Binnenlands Bestuur, 4 maart 2005
HOE BETER HET BESTUUR, HOE BETER ZIJN NARREN

Vorig jaar werd George Moormann (46) door het Haarlemse college van B en W als officiële stadsdichter aangesteld. Dit jaar werd hij herbenoemd. Moormann geeft de poëziereeks De Zingende Zaag uit en heeft zo’n dertig publicaties over stad en Spaarne op zijn naam staan.
Maar Moormann is geen hofdichter, hij is ‘niet van de VVV’. Anders dan zijn Antwerpse collega Ramsey Nasr, die zich de woede der schepenen op de hals haalde, heeft Moormann ‘volledige vrijheid van meningsuiting’.

Wat maakt u zo geschikt?
Al zo’n twintig jaar lever ik een belangrijke bijdrage aan het literaire klimaat van Haarlem. Ik ben verantwoordelijk voor uiteenlopende evenementen. Zoals ‘Haarlemse Nachten 2’, een landelijk festival voor woord en beeld dat op 25 juni in de Toneelschuur plaatsvindt. Tijdens Haarlemse Nachten 1, begin vorig jaar, werd ik als stadsdichter benoemd. Een verassing was het niet, want voordat het zover is ben je al door de ambtelijke molen gegaan.

Wat was uw taakomschrijving?
Zes gedichten bij grote gebeurtenissen schrijven. Voor een kleine vergoeding. Ik heb toen meteen gezegd: ik ben een hofnar, geen hofdichter. Je hebt goede narren en slechte vorsten, zoals ik in mijn eerste stadsgedicht ‘Scheer je weg’ schrijf. Ik veroorloof me volledige artistieke vrijheid. Ik loop niet aan de leiband van de gemeente. Dat zou niemand ten goede komen en de gedichten zeker niet.

Hoe ver gaat uw kritiek op het gemeentebestuur?
Ik balanceer tussen bevolking en politiek. Ik probeer zoveel mogelijk mensen te bereiken. En op ludieke wijze neem ik af en toe het bestuur te grazen. De wethouder Ruimtelijke Ordening heb ik onder haar neus gewreven dat allerlei nieuwbouwprojecten wel erg weinig ruimte lieten aan groen. En dat ‘genuanceerd rood’ toch echt een baksteen is. Ja, dan verandert de glimlach soms in een grimlach. Toch dronken we daarna gewoon een glas wijn hoor. Maar ik doe er geen water bij. Dat geldt ook voor de vorm. Ik ben niet zo thuis in het eindrijm, zoals de Dichter des Vaderlands. Ik ben meer van ‘zeven voet helder, daarna het duister en de diepte in’. Al moet een stadsdichter nooit over de bevolking heen spreken.

U hebt zich, met andere stadsdichters, achter uw Antwerpse collega Ramsey Nasr geschaard.
Ja omdat een stadsdichter volledige vrijheid van meningsuiting hoort te hebben. Dat staat ook in mijn contractje. Nasr publiceerde een stuk in de NRC en De Standaard tegen het Israëlische nederzettingenbeleid. Dat is zijn mening, het doet niets af aan zijn kwaliteit als stadsdichter. Hier in Haarlem zou zoiets niet snel gebeuren, althans niet nu in dit artistieke klimaat. Hier waait toch een nieuwe culturele wind. Deze functie mag hoe dan ook niet worden  misbruikt voor promotiedoeleinden. Ik ben niet van de VVV! Haarlem is een prachtige stad, die ik graag wil bezielen. Met lof, maar waar nodig ook met kritiek. Natuurlijk zal men mij met argusogen volgen en ligt de zweep, net zoals bij Shakespeare in de late middeleeuwen, voor mij klaar. Maar het Haarlemse College van B en W beseft ook hoe beter het stadsbestuur, hoe beter zijn narren.

Dus u kunt alles zeggen wat u maar wilt?
Wij zijn vorsten van het woord. Als je het goed zegt, kun je veel zeggen. Maar ik wil niet alleen nar zijn, ik wil ook nieuwe gezichtspunten aandragen. Ik zet me in voor het literaire klimaat, stel me op als chroniqueur, breng mensen en instellingen bijeen. De poëzienacht in de Toneelschuur krijgt deze zomer een vervolg met de ‘Talismanische Nacht’, waarvoor ik de andere Nederlandse stadsdichters zal uitnodigen.

En worden al die inspanningen gewaardeerd?
Ik geloof het wel, want mijn termijn is intussen met een jaar verlengd. Ik denk dat dat niet alleen een waardering inhoudt van mijn woorden, maar ook van mijn daden.

Martin Hendriksma – Haarlems Dagblad, 26 oktober 2004
GEEN VERLENGSTUK VAN DE GEMEENTE


George Moormann over zijn acht maanden als stadsdichter?
Haarlem - Bijna acht maanden is George Moormann nu stadsdichter van Haarlem. Zijn proeftijd zit er daarmee bijna op. De dichter hoopt op een vaste aanstelling voor de komende vier jaar. “Ik zie mezelf meer als nar dan als hofdichter.”

De ochtend van het interview heeft Moormann zijn steun betuigd aan Ramsey Nasr, toekomstig stadsdichter van Antwerpen. De joodse lobby in de stad keert zich tegen zijn benoeming nu Nasr, Palestijn van origine, in een opiniestuk in NRC Handelsblad en de Belgische krant De Standaard hard van leer trekt tegen het Israëlische nederzettingenbeleid. De machtige Antwerpse schepenen verzetten zich inmiddels tegen Nasrs benoeming. Moormann, in zijn brief: ’De heren schepenen moeten zich (...) niet aanstellen door te denken dat we nog in de tijd van Shakespeare leven, toen de zweep aan het hof klaar lag als dreiging om de nar of stadsdichter te tuchtigen indien hij te ver zou gaan.’ Zo heet is het er in Haarlem de afgelopen acht maanden niet aan toegegaan. Helaas, zou je bijna denken. De stadsdichter heeft weliswaar het dubbele (twaalf) van het aantal contractueel verlangde gedichten afgeleverd, maar zijn bestaan heeft nog niet tot grote beroering in de stad geleid. Misschien omdat Moormanns gedichten nogal eens academisch van aard zijn en vaak niet met een voor iedereen heldere pointe afsluiten, reden waarom deze krant ze bijvoorbeeld niet standaard afdrukt. ”Ik hou me aan het adagium zeven voet helder, daarna het duister en de diepte in”, zegt Moormann.  “Ik schrijf nu eenmaal geen poëzie á la Toon Hermans. De eerste laag moet echter wel zo geschreven zijn dat Truus op de hoek er ook door gefascineerd raakt.”

Heeft de gemeente je eisen gesteld met betrekking tot de toegankelijkheid van je gedichten?
“Nee, anders was ik er ook niet aan begonnen. Je moet geen verlengstuk worden van de gemeente en alleen maar slagzinnen brouwen. Ik wil kunnen verrassen. Dus als ik in de Bavo word gevraagd bij de  presentatie van een wandtapijt, moet ik ook het gedicht kunnen wijden aan de geschiedenis van Bavo. Misschien dat zo’n gedicht op papier bij eerste lezing ingewikkeld overkomt, maar ik hou er bij de presentatie een inleidend verhaal bij.  Dat is altijd goed ontvangen.” Moormann publiceerde gelegenheidsgedichten bij de opening van culturele manifestaties als het Kwartiersmakersfestival, de Dag van het Gebroken Hart in Teylers Museum en een expositie in de Nieuwe Vide. Ze dienden stuk voor stuk om het evenement extra luister bij te zetten. Bij de Verbeelding aan Zet, waarbij stedebouwkundige plannen voor de Oostpoort van Haarlem werden gepresenteerd, ging Moormann een stapje verder. Hij nam in zijn gelegenheidsgedicht en in de begeleidende toespraak wethouder Mimi Rietdijk op ludieke wijze te grazen. Moormann: “Zij had die dag in de krant een opiniestuk geschreven over alle potentiële bouwplekken in Haarlem. Ik vind het schandelijk dat het westelijk tuinbouwgebied daarover ook in aanmerking komt. Dus heb ik haar gezegd dat we eigenlijk met hetzelfde bezig zijn: zoveel mogelijk verdichten en verdiepen. Kon ze wel om lachen, hoor. Na afloop hebben we samen een glas wijn gedronken.” Het brengt hem op een ander dilemma: zijn eigen onafhankelijkheid. Voorafgaand aan de jumelageviering in de Haarlemse Gravenzaal, waar Moormann zijn eerste stadsgedicht presenteerde, sprak een vertegenwoordiger van minister Verdonk de aanwezigen toe over haar asielbeleid. Moormann: “Bij de poort van het stadhuis stonden zo’n 150 demonstranten. Eén van hen riep mij toe: ’En waar sta jij, George?’.” Moormann vond het niet gepast de autoriteiten met een polemisch gedicht te bruuskeren. “Het ging toch primair om de viering van de vriendschapsband met andere steden. Zoiets moois wil je niet versjteren. Maar het stemt wel tot nadenken over je positie. Je moet je niet helemaal door de gemeente laten inpakken. Ik zie mezelf meer als nar dan als hofdichter.” Behalve met het schrijven van gedichten houdt Moormann zich ook bezig met allerlei andere zaken die het poëzieklimaat in Haarlem stimuleren. De door hem opgezette poëzienacht in de Toneelschuur krijgt zo goed als zeker op 25 juni een vervolg met de Talismanische Nacht. Moormann wil hiervoor onder andere alle Nederlandse stadsdichters voor een optreden in de Toneelschuur vragen. Nog ambitieuzer is het plan om alle 144 in Haarlem wonende nationaliteiten met een gedicht in hun eigen taal te eren. “Ik wil vormgevers en beeldend kunstenaars vragen om hun visie erop te geven en dus op 144 plaatsen in de stad een klein monumentje te maken. Als ze in Leiden honderd muurgedichten kunnen plaatsen, moet dit in Haarlem toch ook mogelijk zijn?” En dan is er nog het plan om de uitvaart van Haarlemse ingezetenen zonder vrienden of familie met een gedicht op te luisteren. ,,Ik heb van uitvaartondernemers nog geen reactie gehad, maar ik ga deze week weer bellen.’’

Zouden de Haarlemmers rond Sinterklaas een beroep op je kunnen doen?
“Ja, natuurlijk! Misschien moet ik eens met een boekhandel contact opnemen om iets te organiseren. Maar je weet het: eindrijm is niet mijn sterkste punt. Ach, misschien is dit wel dé manier om Haarlemmers met andere vormen van rijm te confronteren.” Hoewel hem, in tegenstelling tot de Groningse stadsdichter Bart FM Droog, door de gemeente Haarlem nog geen eigen secretariaat is gegund, staat voor Moormann één ding vast: hij wil door. “Ik ervaar het stadsdichterschap als ontzettend leuk. Omdat ik me voor veel gedichten heb verdiept in de lokale geschiedenis, merk ik dat ik enorm veel kennis over stad en streek heb opgebouwd. Burgemeester Pop noemt me al de burgemeester van de Bakenessergracht [waar Moormann woont, mh]. En ik moet zeggen: dit huis heeft ook wel iets weg van een ambtswoning. Je kijkt over het hele centrum uit, ook over de nieuwe, foeilelijke achterkant van het gerechtsgebouw, met van die volstrekt fantasieloze metalen bakken.” U voelt het al aankomen: hier groeit het dertiende stadsgedicht.

Stadskrant, 11 maart 2004
STADSDICHTER WIL HAARLEM BEZIELEN

George Moormann, geboren en getogen Haarlemmer en sinds kort officieel stadsdichter. Vol met woorden, invallen en ideeën zit dichter en beeldend kunstenaar Moormann, die niet alleen de drijvende kracht is achter poëzie-uitgeverij De Zingende Zaag, maar onlangs ook zijn Anti-Stress Spaarnebron-water lanceerde in galerie "De Schone Kunsten". De stad is in alle opzichten een laboratorium voor Moormann en zijn vele projecten waarvan hij zegt dat ze verder gaan dan van kaft tot kaft. ‘Haarlem is als hart van de wereld bij uitstek een stad, om deels imaginair en deels werkelijk, een reis door de geschiedens te maken. En o wat is er nog veel moois te ontdekken!’

‘Het stadsdichterschap is een betrekkelijk nieuw fenomeen in Nederland’, zegt Moormann. ‘Ik zie het als een grote uitdaging en wil me bijvoorbeeld ook sterk maken voor het aanknopen van relaties met andere stadsdichters, zoals Tom Lanoye in Antwerpen, Bart F.M. Droog in Groningen en Jan Eijkelboom in Dordrecht.

Vijf gedichten
Officieel luidt  de opdracht dat de stadsdichter dit jaar vijf gedichten schrijft waarbij hij volledige artistieke vrijheid heeft. ‘Dat was wel een voorwaarde’, vertelt Moormann. ‘Ik wil kunnen kiezen voor onderwerpen die me echt prikkelen. Gelukkig houdt veel in Haarlem me bezig. Er gebeurt de laatste tijd veel, er waait een nieuwe wind, ook op cultureel gebied. Als stadsdichter kan ik iets toevoegen aan de manier waarop mensen naar de stad kijken. Er zijn zoveel dingen die een andere bezieling krijgen als ze worden aangeraakt door de poëzie. Zo ben ik op dit ogenblik bezig met een project over het schilderij "Het wonder van Haarlem". Dit doek dat in het Frans Hals Museum hangt inspireerde mij tot het schrijven van een reeks gedichten over Haarlem. Het voorwerp is nu een schilderij maar het kan natuurlijk van alles zijn. De dichter en de dingen. Het wordt mijn derde bundel die bovendien helemaal over Haarlem gaat. Het lijkt me heerlijk als mensen met de gedichten en afbeeldingen in de hand weer met andere ogen naar de gebouwen, schilderijen, gevels, archeologische vondsten en wie weet onze fraaie stadsrivier het Spaarne kijken.’

Betekenis
Dat poëzie niet alleen in stoffige achterafzaaltjes ten gehore wordt gebracht, bewees Moormann op de onlangs door hem georganiseerde “Nacht van de Poëzie” in de Haarlemse Toneelschuur. ‘Het was een enorm succes, er waren bijna vijfhonderd bezoekers. Een “Zaags” en grensoverschrijdend festival waar theater, film en poëzie elkaar op uitdagende wijze het hof maakten.’ Naast de vijf officiële gedichten maakt Moormann ook gedichten bij bijzondere Haarlemse aangelegenheden. Dat kan de opening van een gebouw zijn, een lofzang op de reinigingsdienst of een gedicht bij het graf van een onbekende. ‘Door mijn stadsdichterschap loop ik tegen allerlei mensen aan. Een eer maar ook een die een verplichting inhoudt. Gedichten te schrijven die er toe doen. Gedichten van zeven voet helder, dan donker maar diep. Zulke poëzie is mij het liefst. Dat het de mensen bovendien aanspoort om gewapend met deze gedichten hun blik op hun omgeving te verruimen, is dan mooi meegenomen.’

Fleur Speet - de Poëziekrant, jan-feb. 2003
EEN EN EEN IS DRIE
George Moormann over het fenomeen De Zingende Zaag

De Zingende Zaag begon in 1989 als een laboratorium voor interdisciplinaire creatievelingen. Inmiddels heeft het ‘blad’ een opmerkelijk trouw en omvangrijk abonneebestand. George Moormann (1958) is behalve dichter en beeldend kunstenaar ook geestelijk vader en redacteur van De Zingende Zaag.

Vragen hoef je aan George Moormann niet te stellen, en je moet ook niet gek opkijken als je na twee uur enthousiast vertellen een Bibellebontse Berg van boeken op tafel vindt, waarover je hem nog nét kunt aankijken. Of als hij je op een prachtige voorlezing van Rilke trakteert, of je naar zijn werkkamer sleept om achter de Mac zijn nieuwste kunstproject digitaal leven in te bla­zen. Bijna letterlijk, want het project opent met het geluid van een schelp­hoorn, waar Moormann zijn adem in toetert.

George Moormann is uitgever en geestelijk vader van De Zingende Zaag, een ... tja, wat is het eigenlijk? Een literair tijdschrift? Daarvoor is het te eigenzinnig. Misschien kan De Zingende Zaag nog wel het best omschreven worden als een reeks uitgaven waarin poëzie, beeldende kunst en vormgeving uitdagend naar elkaar verwijzen. De Zingende Zaag vierde vorig jaar zijn koperen jubileum. Al veertien jaar lang bedenkt Moormann zo'n twee keer per jaar een thema dat het richtsnoer van het kunstproject vormt.

Moormann heeft zich altijd al aangetrokken gevoeld tot kruisbestuivingen tussen li­teratuur en beeldende kunst: 'Voordat ik met mijn studie Nederlands begon had ik al een blaadje gemaakt. Dat was een tijdschrift in de vorm van een krant. Het was nogal program­matisch en bemoeide zich met alle kunsten. Later bedacht ik met een aantal studenten een wat bescheidener uitgave waarin behalve de letteren ook de beeldende kunst uitge­breid aan bod zou komen. We noemden het Contrapost, een term die zowel boekhoud­kundig als artistiek is. Je hebt van die Griekse beelden waarin de beweging van een stap voorwaarts zit. Dan zie je bijvoorbeeld de linkerarm en het rechterbeen een tegengestel­de beweging maken. Die evenwichtstoestand noemen ze contrapost. Dat vonden we een mooi en uitdagend beeld.'

'Ik moet wel oppassen dat ik niet te veel ga zitten graaien’, zegt hij verontschuldigend terwijl hij zich omdraait naar de grote kast en daar een drie centimeter dikke bundeling uit haalt. In de zwarte kaft is Contrapost met witte letters uitgehouwen. 'Ja, dit is een kloek boekwerk geworden. We wilden goed beslagen ten ijs komen en zochten dat toen nog voornamelijk in essays. We probeerden een relatie tussen woord en beeld te leggen. In die tijd was dat nog helemaal niet populair. Nu heb je interdisciplinaire festivals als Crossing Border, maar termen als interdisciplinair of kruisbestuiving kenden we toentertijd nog niet. Overigens zou ik ze nu niet willen gebruiken. Etikettering vind ik sowieso uit den boze. Maar goed, we wilden met Contrapost mooie zintuiglijke dingen maken. "Zintuigen zijn de voedes van de ziel”, bedacht Dick Hillenius en dat ervaar ik nog steeds zo. Maar tot een echt tijdschrift kwam het niet, er werd enkel eindeloos vergaderd. Zo kwam het dat ik een naam bedacht en samen met Mark Fekkes begon met De Zingende Zaag. Achteraf gezien kun je zeggen dat de Zaag toen al een goede neus voor kwaliteit had, want de eerste uit­gaven bevatten niet alleen gedichten van toen nog onbekende dichters als lan Baeke, Nachoem M. Wijnberg, Maarten Doorman, Esther Jansma en Chris Keulemans, maar net zo goed werk van Adriaan Morriën en Jan G. Elburg. Zelfs twee Maximalen als Pie­ter Boskma en Frank Starik vonden er een plek.'

In het eerste nummer van 17 februari 1989 schreven Moormann en Fekkes:'Maximaal, academisch, Academisch, maximaal. Voi­la. Ziezo. Dada. Doeidoei. Poezie? Anything goes! Aan het werk nu! [...] alle clanvorming, elk modieus manifest is ons wezens­vreemd. De Zingende Zaag is thuis onder alle gezindten.' Al snel reageerde de pers. Recensenten van NRC Handelsblad, de Volks­krant en Trouw schreven positieve stukken, waarin vooral de veel­zijdigheid van het tijdschrift werd opgemerkt. Na een paar jaar werd De Zingende Zang al het 'origineelste literaire tijdschrift van Ne­derland' genoemd. In juli 1990 werden 'zachte vilten zonnebloe­men als Mickey Mouse‑oren' op de kaft geplakt. De vormgeving begon te veranderen, het tijdschrift werd steeds verrassender. Het augustusnummer van 1995 was ‘een tas van Rodenko' (compleet met drukknopen), er was een eetbaar nummer, poëzie in een siga­renkistje van Hajenius, een uitgumnummer en een Tabula Rasa-­nummer waarin grafietpoeder over de pagina's gewreven moest worden om de tekeningen en gedichten zichtbaar te maken. Moor­mann werkte voor de vormgeving samen met Thomas Widders­hoven van het grafisch ontwerpbureau Thonik. Sinds 1999 staat de Brusselse kunstenaar en vormgever Jo Klaps garant voor de grafische vormgeving. De Zaag is meerdere malen onderscheiden als een van de Best Verzorgde Boeken en werd genomineerd voor de Rotterdamse Designprijs. Erik Vissers schreef op 18 juni 1998 in De Standaard der Letteren: 'Wie denkt dat die op het eerste gezicht vergezochte vormgeving louter spielerei is, vergist zich. Telkens weer blijkt de vorm functioneel gerelateerd aan de inhoud.'

Moormann: 'Gedichten roepen een beeld op dat niet direct in woorden te vatten is, dat zal iedere dichter en typograaf beamen. Grafisch ontwerpers maken op indirecte wijze een beeld zichtbaar. Poëzie is natuurlijk veel meer dan een regel inkt op papier. Afhankelijk van hoe de dichter zijn wit gebruikt, zie je een berg, of krijg je een regenlandschap cadeau. Aandacht voor zulke vormen hebben we altijd gehad, maar je ziet wel een ontwikkeling. Als je de .Zagen op een rij zet, zie je dat ze steeds "conceptueler" zijn geworden. De concepten worden steeds meer van kaft tot kaft door­gevoerd. In het prille begin is het beeld nog iets leuks van een beeldend kunstenaar, dat we geprononceerd in het hart van de Zaag plaatsten.'
'Zoals bij dit eerste nummer’, en hij draait zich weer om naar de bovenste plank om daar met veel zorgvuldigheid het eerste nummer van De Zingende Zaag uit te halen. Daarin zit een afdruk op natuurzijde en daarachter nog een, maar dan vager. De afdrukken refereren aan het afscheid van de Sacharovs, iets wat je maar net moet weten. En zelfs als je het weet is het een herinnering die vervaagt. Om dat vervagen te benadrukken, leverde de kunstena­res Renee Kool er een zelfbekostigd wasvoorschrift bij. 'Hoe fraai deze kunstenaarsbijdrage ook is, toen was dat nog een extraatje. De afzonderlijke bijdragen verwezen nog niet naar elkaar. Neem Het Blauwe Uur, een Zingende Zaag uit 2001. Bij het uitdenken van zo’n concept, een lange duin‑, bos‑ en strandwandeling die leidt naar een digitaal museum in de vorm van een reuzenslak, moest ik rekening houden met inzendingen van 22 dichters en 22 kunstenaars. Dat was me nogal wat! Het resultaat is een avontuurlijke reis waarin de lezer een "interactief gebruiker" wordt. Maar altijd staat de leesbaarheid voorop. Vormgeving en beeldende kunst mogen de gedichten niet overstemmen.' 'Lukte het trouwens wel met het openen van de cd‑rom? Want niet iedereen heeft Flash,'vraagt hij bezorgd. Dan blijkt dat ik nog niet in ‘Het heelal van de schelpen’ ben geweest. 'Oh, maar dan begint het pas! Dat is de traktatie, dan komen al die 22 kunstenaars aan bod. 'We kunnen haast niet wachten, maar besluiten daar later naar te kijken. Eerst nog even verder over het ontstaan van de Zagen.

In nummer elf, april 1991, schreef Moormann ter inleiding: 'Zoals in dit tijdschrift gebruikelijk, ontaardt creatieve wedijver niet in woorden/beelden over woorden/beelden (over woorden / beelden) maar staat de vormgeving van gedachten of gevoel voorop. Er is oog voor traditie, de gedaanten l'esprit de finesse en l’esprit de géometrie, en als streep door de rekening vertonen sommige bijdragen een "open einde"."Kijk’, licht Moormann toe, 'hier kan ik het beste voor mezelf spreken. De enorme uitdaging van de Zaag zit in het zoeken naar de juiste balans tussen vorm en inhoud. Dat kan ik goed laten zien aan de hand van twee eigen bundels.' Moormann haalt een doorzichtig foedraal van kunststof uit de kast, Het Luide Graf: 'Het uitgangspuntvan deze uitgave was een deels werkelijke, deels imaginaire reis door 750 jaar Haarlemse geschiedenis. Feitelijke gegevens over meer of minder bekende overleden Haarlemmers vormden het ruwe materiaal voor een serie Iyrische portretten. Dat levert natuurlijk een berg informatie op en daarmee rees de nijpende vraag: hoe kom je aan een heldere vormgeving zonder al te veel toeters en bellen? Twee ingevingen waren van doorslaggevend belang. Vanuit mijn werkkamer kijk ik uit op de Sint-Bavokerk, waar allemaal belangrijke Haarlemmers liggen begraven. Maar daarmee was ik er nog niet. In een of andere documentaire bezocht jaren na dato een journalist een achtergebleven oud vrouwtje in een of ander Bosnisch bergdorpje. Op de vraag hoe het nu met haar ging, hief ze haar handen ten hemel en schreide: "Kindje, mijn kindje. De aarde te hard, de hemel te hoog." Toen viel het voor mij samen en ontstond deze Zaag. Ik nodigde vormgever Thomas Widdershoven uit voor een wandeling in de Sint-Bavokerk en het plan kreeg vorm. Op twintig losse vellen maakt de lezer zichtbaar wat eerst onzichtbaar was. Als je namelijk die vellen uit het foedraal haalt en neerlegt, komt het houten stergewelf in zicht van de Sint-Bavokerk. Je ziet langzaam de ribben van het gewelf ontstaan en de hemel contact maken met de aarde. Al die personen die daar liggen herrijzen zo uit hun as. Door interne verwijzingen en citaten halen deze Haarlemmers alsnog het mausoleum van hun gelijk: het luide graf. "De aarde te hard" van het oude vrouwtje, dat zijn de grafzerken; "de hemel te hoog" is het kruisgewelf. Met zo'n uitgekristalliseerde vormgeving kun je de inhoud dus geweldig helpen.' Moormann pakt er een zwart doosje bij. 'Datzelfde geldt voor mijn tweede bundel, Om Zeep. Op het zeepje dat daarbij zit, staat aan de ene kant "schuld" en aan de andere kant "onschuld". Dat is een knipoog naar Pontius Pilatus, die zijn handen in onschuld wast. Kinderen van deze tijd weten het maar al te goed: er valt nog nauwelijks een onderscheid te maken tussen schuld en onschuld, tussen hemel en hel. Het zijn vaak goede bedoelingen die de aarde tot een hel in plaats van een hemel maken. Om te stangen heb ik teer en pek door dat zeepje laten mengen. De gedichten gaan dan ook over het schoonwassen van betekenissen. Maar degenen die het zeepje willen gebruiken, wil ik waarschuwen: het maakt je niet schoon, maar zwart.'

om een deksels niets, de zeldzame
ogenblikken waarop de
poëzie zich verschoont, zich naakt
en onbespied prijsgeeft

Zo luidt het motto op de rand van de dikke doos waarin het zeepje en boekje met gedichten verscholen zitten. Na het motto gedragen voor te hebben gelezen, de doos al kerend en draaiend, ratelt Moormann enthousiast: 'Er zijn twee versies van het bijgeleverde zeepje. Ik kon het niet laten om nog een zeepje te maken met op de ene zijde SOAP en op de andere Psalm 73:13. Dat verwijst naar: "vergeefs heb ik mijn hart rein gehouden, mijn handen in onschuld gewassen". Nouja, je snapt de contradictie.'

Ook in Het Blauwe Uur zitten tal van grapjes en verwijzingen. 'Het zal wel weer mijn diep verlangen naar samenhang zijn. Ik kan niet anders. De Zagen komen telkens met heel veel liefde tot stand. Tijdens de anderhalf jaar dat we met Het Blauwe Uur bezig waren, kwamen de grapjes en knipogen vanzelf. Het zijn kleine invallen die veel voldoening geven. Lucebert zei eens: "Dichters hebben geen tijd voor grapjes, zij maken ernst met de meest frivole zaken." Die uitspraak bevalt mij. Het is gewoon spelen en dat vinden mensen wel eens verdacht. Waarschijnlijk omdat ze er niet zo bekend mee zijn. Vormgevers van gewone tijdschriffen durven doorgaans nauwelijks grapjes uit te halen, of ze schieten door. Maar dat het uiteindelijk toch gewaardeerd wordt, blijkt uit de grote groep liefhebbers. Voor hen doe je het, en natuurlijk om het plezier dat dit soort dingen bedenken en maken geeft. Dat het zelfs tot over de landsgrenzen gelezen wordt, blijkt uit een Duits literair tijdschrift waarin een hommage aan Lucebert werd gebracht. In Die Horen stonden gedichten van Luceberts vrienden Remco Campert, Bert Schierbeek, Leo Vroman en Karel Appel, maar ook heel onverwacht een gedicht van mij over Lucebert uit het "doodskistje", nummer 23 van de Zagen. Dat is toch prachtig?!'

Toch is het gebruik van beeldmateriaal in literaire tijdschriften niet zo uniek. Lust & Gratie deed dat, De Revisor doet dat al jaren. 'Maar,' repliceert Moormann, 'daar staan de kunsten op zichzelf. Dat is misschien niet eens zo’n gek idee want een geslaagde samenwerking tussen dichtkunst, beeldende kunst en vormgeving is zeldzaam. De combinatie kan meer doodslaan dan het oproept, als een plaatje bij een praatje bijvoorbeeld. In het ideale geval - en daar streef ik naar - kunnen gedicht en beeld op zichzelf staan maar gebeurt er iets onverwachts door de combinatie. Een en een is drie.'

Geen wonder dat het afstemmen van al deze kunstvormen veel tijd kost. En daar zit geen enkele grote uitgever op te wachten. 'Dit soort projecten kun je alleen in eigen beheer maken. Dit is voor een normale uitgever, hoezeer ik die ook zou willen, niet te doen. Zo'n beetje iedereen die ik ken werkt er voor een habbekrats aan mee. Dan zijn we echt met z'n allen vilten oren of vlinders aan het knippen. Bij het bevestigen van de blisters met secondenlijm op de voorkant van het gumnummer zijn we letterlijk heel wat huid kwijtgeraakt. Je moet je dus echt met huid en haar uitleveren, nou, dat kun je van een gewone uitgever niet verwachten. Vorig jaar kwam er zelfs een Zaag uit die Met huid en haar heet, over de meesterlijke Middeleeuwen.'
Moormann houdt het hele proces in eigen handen. Hij is zijn eigen uitgever. Inmiddels heeft hij een stevig abonneebestand opgebouwd, verkoopt goed op beurzen als De Kleine Uitgevers Beurs in Paradiso en heeft al met al een ongewoon hoge oplage van 1.000 tot 1.500 Zagen per uitgave. Maar een reguliere bundel bij een reguliere uitgever? 'Ik ben er mee bezig, maar dan doe je natuurlijk wel mee aan het literaire circus van prijzen en dergelijke. Dat ik alleen twee dichtbundels in eigen beheer heb uitgegeven, komt omdat ik hoge eisen stel. Zo heb ik nog een aantal projecten die ik nooit gewoon zou kunnen laten uitgeven. In Tirade staan de afgelopen zes jaar nogal wat kleine series van mijn hand, zoals het project Ingezeept, uitgegumd met tekeningen van Serge Onnen en Halfslaap met lino's van Toine Moerbeek. Dit moet toch weer op die speciale manier, dat kan ik gewoon niet laten. Kijk, er zijn zo'n 600 tot 700 mensen in Nederland die poezie kopen en de meesten weten de Zaag te vinden. Sterker nog, ze zijn enorm enthousiast.'

Hoewel de reeks bekend is, is er geen stroming in de poëzie die luistert naar de naam De Zingende Zagers. In juni 1992 had Moormann daar wel een aanzet toe geleverd. In de inleiding schreef hij: 'Het moet anders, het moet beter. Het moet Zaagser.' En Zaagser, dat is: met meer elan en lef. Twee jaar later verscheen een nummer met literaire manifesten. Het leverde rumoer op. Renée Steenbergen schreef in NRC Handelsblad over de literaire discussieavond in De Balie waar de Zaag werd gepresenteerd: 'De literaire kinnesinne - dichters en schrijvers waren ver in de meerderheid - overheerste deze avond. De stammenoorlog tussen de diverse bladen speelde zich op straat af, waar de redacteuren van Millennium, die niet waren uitgenodigd, onder het motto "pamfletten" zelfgebakken pannenkoeken aanboden.' Moormann: 'Je kunt niet spreken van De Zingende Zaag als groep of stroming. Dat kun je van geen enkel tijdschrift meer zeggen. Vroeger had je uitgevershuizen die ergens voor stonden. Tirade stond voor een bepaald soort poëzie, net als Raster of De Revisor. Tegenwoordig zijn het meer persoonlijke zaken waarom je bij een uitgever blijft - of weggaat. De tijd is voorbij dat je op basis van een bepaalde literatuur- of kunstopvatting bij een bepaalde uitgever zit.'

De Zaag is altijd voor alle gezindten geweest, reden waarom er geen essayistiek in werd bedreven. Tot dit ene manifestennummer. 'We stelden de Zaag voor een keer open voor dertig manifesten van de jaren negentig. Het omslag zegt precies wat er in het boek staat. Dus geen ronkerige flaptekst, zoals de meeste manifesten ronkend zijn, maar een sterk verkleinde afdruk op A-5 formaat van alle 128 pagina's. Het zwart van al die pagina's vormt samen de letters De Zingende Zaag, als een waar koekoeksnest. En traditiegetronw roept ook dit nummer meer vragen dan antwoorden op. Nooit legt de Zaag iets uit, je moet het zelf doen. De poëzie beschikt immers over voldoende zeggingskracht. Voor deze ene keer waren ze er nu allemaal: Marc Kregting, Jos Joosten, lan Kerkhof, Erik Spinoy en ga zo maar door.' Moormann zelf verzamelde televisiebeelden, waarvan hij een beeldgedicht met statement maakte. Opmaat is een still uit een film waarin de acteurs Tom Cruise en Dustin Hoffman te herkennen zijn. Daaronder staat: 'Doe dat boek weg en hou op met dat gedoe.'

We voegen de daad bij het manifest, sluiten de boeken en houden op met 'dat gedoe'. Moormann popelt immers om de cd-rom van Het Blauwe Uur te laten zien. 'We hadden nog nooit een cd-rom gemaakt, dus dat was best spannend. Bijna 50 bijdragen van 44 kunstenaars zou ik nooit in een boekje alleen kunnen onderbrengen. Toen bedacht ik een digitaal museum in de vorm van een reuzenschelp die op de vloedlijn ligt. Na een groot schilderij beland je dan tussen allemaal kleinere schelpen. Achter iedere schelp die je ziet, verschuilt zich een kunstwerk. Zelf maakte ik een tekening en een animatiefilmpje, ontstaan door louter toeval. Op het moment dat hier een ongeopende fles wijn omviel, herinnerde ik mij een klein flesje met daarin een prachtige blauwe driemaster. Die beweegt nu op de fles wijn, natuurlijk met de nodige zeegeluiden. En kijk eens wat een associaties dat allemaal oproept! Je merkt wel dat het maken van de Zaag nooit verveelt. Iedere keer is het anders en daardoor blijft het een feest voor alle zintuigen. Gaat dat horen, zien, ruiken en proeven, zo luidde een van onze campagnes ooit.' Het gaat nog net niet synchroon, de klok buiten en de slagen van de Sint-Bavokerk uit de schelle Mac-boxjes. Verder lijkt op deze cd-rom niets aan het toeval te zijn overgelaten. De rode teennagel uit het gedicht van Elma van Haren bijvoorbeeld verwijst naar een rood eendje in de vijver. En dan maken we net als in een kleine roadmovie, vergezeld door de soulmelodie 'From the river to the open sea' en zomers piepende zwaluwen, de tocht door Haarlem en omgeving uit het boekje nog eens opnieuw. Aan het eind beloof ik stellig Flash te installeren, want dit is erg bijzonder.          

Maar het gesprek is nog niet over. Na het digitale intermezzo praten we verder aan de tafel met de Zagen-berg. 'Over iedere Zaag is zoveel te vertellen, daar kan je uren over praten. Met al de manifestaties die we erbij organiseren zijn het dan ook echte projecten geworden.'
Dat er niet veel Vlaamse dichters in De Zingende Zaag staan (al zijn ze er wel degelijk, zoals bijvoorbeeld Benno Barnard, Eddy van Vliet en Koen Stassijns in Het Blauwe Uur of Peter Holvoet-Hanssen in Glück Auf! en Met huid en haar), heeft een heel praktische oorzaak. 'De meeste mensen kom ik hier in Haarlem en Amsterdam tegen. Maar het Vlaamse aandeel wordt al wel groter omdat De Zingende Zaag samenwerkt met het Vlaamse vormgevingsbureau Brussels Lof. Het gaat er mij niet om uit welk land iemand komt, het gaat mij om de persoonlijke stem. Uiteindelijk word je toch op een paar gedichten afgerekend, die je meestal na je 33ste schrijft. Op die leeftijd ben je volgens mij voldoende gerijpt. Toen ik bijna dertig was, las ik een stuk van Rilke. Dat leverde een enorm inzicht op. Rilke werd vanaf toen een sleutelfiguur voor me. Zal ik het even voorlezen? Ik was er toen namelijk stuk van.' Ik geloof dat ik wat zou moeten beginnen te werken, juist nu ik leer zien. Ik ben 28, en er is zo goed als niets gebeurd. Even repeteren. Ik heb een studie over Carpaccio geschreven die slecht is, een drama dat Huwelijk heet, iets onwaars met dubbelzinnige middelen willen bewijzen en gedichten. Ach, maar gedichten stellen als prestatie zo weinig voor als je ze vroeg schrijft. Je zou daarmee moeten wachten en zinnigs en zoets vergaren een heel leven lang en zo mogelijk een lang leven. En dan op het allerlaatst, misschien zou je dan tien regels kunnen schrijven die goed zijn. Want gedichten zijn niet zoals de mensen denken gevoelens, die heb je vroeg genoeg. Het zijn ervaringen. Voor een gedicht moet je veel steden zien, mensen en dingen, je moet de dieren kennen, je moet voelen hoe de vogels vliegen en weet hebben van het gebaar waarmee de kleine bloemen opengaan in de morgen. Je moet kunnen terugdenken aan wegen in onbekende streken, aan onverwachte ontmoetingen en aan scheidingen die je lang had zien aankomen, aan dagen uit de kindertijd die onopgehelderd zijn gebleven, aan de ouders die je hebt moeten krenken als ze iets fijns meebrachten en je zag het er niet in [...] en het is nog niet genoeg als je aan dat alles kan denken, je moet herinneringen hebben aan vele liefdesnachten [...], aan kreten van moeders tijdens de bevalling [...] en ook is het nog niet genoeg dat je herinneringen hebt. Je moet ze kunnen vergeten als het er te veel zijn en je moet het grote geduld hebben te wachten tot ze terugkomen, want de herinneringen zelf zijn het nog niet, pas als ze bloed worden in ons, blik en gebaar, naamloos en niet meer te onderscheiden van onszelf, dan pas kan het gebeuren dat op een heel uitzonderlijk moment het eerste woord van een gedicht ópstaat in hun midden en uit hen weg gaat.

‘Hier kun je acuut van dicht slaan. Maar Rilke heeft wel gelijk: het duurt even voordat een eenvoudig bezweringsritueel uitgroeit tot een volwaardig gedicht. Het kost tijd om een samenhang van woorden te vinden die iets zegt over dichten in het algemeen en tegelijk over de wijze waarop de dichter wenst dat zijn gedicht eruit ziet. Dat is het ontwikkelen van een eigen toon.’ Maar wanneer is een dichter gerijpt, dat hangt toch niet alleen van zijn leeftijd af? ‘Nee, je hebt uitzonderingen die de regel bevestigen. René Puthaar is zo’n dichter die van de hoed en de rand weet. Hij schrijft vormvaste gedichten waar bovendien een rijk gedachtengoed in verscholen zit. Dat kun je afzetten tegen de gedichten van bijvoorbeeld Ingmar Heytze. Die is ook alom aanwezig, maar schrijft heel andersoortige poëzie. Ik vind, en dat is natuurlijk ook wat Rilke probeert te zeggen, dat de ervaringen die je op papier zet van jezelf moeten zijn. Dat ervaar ik nog niet zo bij Ingmar Heytze, het is mij vooralsnog te gekunsteld. Maar je weet nooit hoe hij zich verder ontwikkelt. Als huisdichter van het Centraal Museum in Utrecht doet hij nuttig werk.’ Rilke legt in dit citaat een maatstaf voor kwaliteit aan. Maar wat is kwaliteit? Belanden we dan niet opnieuw in de discussie over onverstaanbare en verstaanbare poëzie? Moormann vindt deze discussie opgeklopt en onzinnig. Er moet gewoon goede poëzie geschreven worden, vindt hij. ‘Natuurlijk is het uiteindelijk een kwestie van smaak. Maar smaak ontwikkel je door veel te lezen. Als je heel veel leest, zie je op een gegeven moment de stoplappen. Je onderscheidt het “echte” van het “niet-echte”. Geoefende lezers zijn het trouwens vaker eens dan je denkt. Dat merk je als je in een jury zit. Dan komt er ongelooflijk  veel op je af, maar het meeste kun je bijna direct terzijde leggen omdat je het al eens beter gelezen hebt. Vaak al na de eerste ronde scheidt men het kaf van het koren, zodat de discussies toch telkens over de laatste tien gaan. Zo bijzonder is dat niet. Het is hetzelfde als je van taartjes houdt. Omdat je er zo verzot op bent, weet je precies bij welke bakker je moet zijn.’ En gelukkig zijn er tegenwoordig hele goede bakkers: ‘Ik vind dat de kwaliteit van de Nederlandstalige poëzie momenteel buitengewoon goed is. Dat er zo verschillend wordt gedicht, is alleen maar meegenomen. Ed Leeflang, Leo Vroman, Jan Baeke, Marc Kregting of Astrid Lampe: dat zijn heel verschillende dichters, die moeilijk met elkaar te vergelijken zijn. Maar ze zijn allemaal goede dichters in hun soort. Het werk van Lampe is misschien niet altijd even begrijpelijk, maar daar heb ik ook niet altijd zin in, in begrijpelijke poëzie. Het is maar net in welke stemming je verkeert en of je wilt speuren naar sporen. In mijn eigen poëzie huldig ik het credo eerst zeven voet helder te dichten, maar dan duister en diep. Net zoals de reiger uit het gelijknamige gedicht van Chris J. van Geel. Die duikt in de modder om als witvis weer boven te komen. Als dat lukt, ben ik een gelukkig mens.’

MEER DAN EEN REGEN INKT OP PAPIER

Cornald Maas – de Volkskrant, 25 november 1994

Poëzie is een mysterie, vindt George Moormann. ‘Gelukkig maar anders zou ik er mee ophouden.’ De geestelijk vader van het jubilerende poëzietijdschrift De Zingende Zaag (‘thuis onder alle gezindten’) heeft een hekel aan het lawaai op bestelling van de Maximalen. ‘ Dit is een tijd van eenlingen. Niet van stromingen en bewegingen.’ Voor Moormann is dichten: de mooiste dingen opschrijven, maar ook eerlijk zijn, afrekenen, iets over jezelf zeggen. ‘Een gedicht is geen hijskraan. Het is werken met een tedere oogopslag.’

Poëzie hoort in de marge en nog meer blablabla. George Moormann (36) wil met dat soort uitlatingen niks te maken hebben en duarom trok hij een narrenpak aan. ‘Er zijn biina geen narren. Maar dat betekent nog niet dat je ze niet serieus hoeft te nemen.'

Zijn zotskap rinkelende bij de presentatie, vorige week, van het jubileum­nummer van het door hem opgerichte poëzietijdschrift De Zingende Zaag. Zo luidt zijn devies: 'Kom op! Schrijf vanuit hartstocht een manifest of een credo! Maak de demon in uzeif wakker! Dit kan de plek zijn waar iets ontstaat!'

In de vijfentwintigste editie van de Zaag onderzoeken kunstenaars de (on)mogelijkheden van het manifest. Moormann geeft in het voorwoord al­vast een schot voor de boeg: 'Litera­tuur is schrijven, niet schieten. (...) Het zal ons een zorg zijn wat iemand beweert, mits het maar uitmuntend is opgeschreven.' Dichters zijn, vindt hij geen moraalridders of politieke activis­ten. Hij citeert nog eens de wijze woor­den uit de eerste editie van zijn tijd­schrift: 'Alle clanvorming (...) is ons wezensvreemd. De Zingende Zaag is thuis onder alle gezindten.'

Die beginselverklaring was, begin 1989, een reactie op het mediageweld van de dichtersgroepen de Maxirnalen en De Nieuwe Wilden. 'Ik heb een he­kel aan lawaai op bestelling. Zo'n hou­ding getuigt van gebrek aan respect voor de poëzie.'

Moormann huivert als groepen zich afzetten tegen groepen. 'Dit is de tijd van eenlingen. Niet van stromingen en bewegingen.'

Zijn Zingende Zaag is een podiurn voor veelstemmigheid. 'Iedereen is wel­korn. Wij stellen ons nest zelfs open voor de meest lawaaiige vogel die er is: de koekoek.

Carla Bogaards hoort er bij, en Arjen Duinker, Maarten Doorman en K. Mi­chel, maar ook H.H. ter Balkt en Adri­aan Morriën. 'Wat Leo Vroman schrijft getuigt toch van enorme liefde en harts­tocht? Qua rijpingsleeftijd is hij piep­jong.'

Stammenoorlogen tussen generaties cn tijdschriften zijn onzinnig. Rob van Erkelens en zijn kornuiten, vertegen­woordigers van het tiidschrift Zoetermeer en de Generatie Nix, drijven de zaak op de spits. ‘Sta je naast ze op een literaire manifestatie, is er geen contact met ze te krijgen. Ze zijn niet in poëzie geïnteresseerd maar in strategieën om op het struweel te komen. Arrogant ge­drag, één grote ego‑tripperij. Maar zelf­bevlekking Ieidt tot niets.' Moormann is niet geïnteresseerd in statements en het grove geweld van de buitenkant.
‘Een gedicht is geen hijskraan. Het is werken met een tedere oogopslag.’

Als hij ziin passie voor poëzie etaIeert vraagt hij raad bij de schrijvers van de wereldliteratuur: poëzie is een combinatie van magie en verstand, poëzie heeft het menselijk hart tot voedsel. Wilde, Hölderlin, Rodenko, Paz, Aristoteles - desnoods de Zweedse dichter Lundkvist: poëzie is een waslijn gespannen tussen een vuurtoren en een kersenboom. ‘Ze geven allebei rood licht maar het licht van de vuurtoren is vooral functioneel. Ik neig naar het rode schijnsel van de kersenboon: dat is vrijblijvender en persoonlijker.’                                                                                                                       
Deze metafoor bedacht hij zelf: 'Een gedicht is meer dan een regel inkt op papier.’                                                
Voorbeelden te over. In De Zingende Zaag gaan poëzie en beeldende kunst hand in hand. Gedichten lijken op regenbuien en berglandschappen tegelijk; zelfs foto-afdrukken van televisiebeelden verworden tot poëzie. ‘Dit is een leuke tijd. Ik ben niet bang voor nieuwe middelen.'                                                                                                                         

Edities van De Zingende Zaag werden onderscheiden als de Best Verzorgde Boeken van 1992 en 1993. Ze verschenen in de vorm van sigarendoos, een lijkkist, een Zig Zag Kinderspel (genomineerd voor de Rotterdamse Designprijs 1993): vierdimensionale beeldspraak, gekte die maar doorgaat, gefundenes Fressen voor geoefende kijkers. ‘AIs je zegt dat de vorm de inhoud  overvleugelt heb je een ouderwetse manier van kijken. Dit zijn niet zomaar toeters en bellen. De vormgeving is functioneel. Poëzie is een spel met verhoudingen. Ik wil, zoals Kouwenaar ooit schreef, vuur maken uit water, regen uit dorst.’ Moormann houdt niet van eendimensionale, bloedeloze gedichten. ‘Koester de zucht naar het onmogelijke. Probeer een waarheid te formuleren die zoveel mogelijk anderen overtuigt.' De boodschap luidt, zegt hij, in de Zaag nog steeds: De poëzie is ons manifest! 'Gedichten dragen engagement uit via de verbeelding. Die kracht moet je niet onderschatten.'

Dus sloeg Gerrit Komrij in Het Parool de plank mis: 'De poëzie loopt op zijn laatste benen. Wie leest het nou nog?' 'Toen ik dat las was ik nogal pissig. Dat cultuurpessimisme! Komrij kan en moet beter weten.'

Als Moormann een presentatie van een nieuwe editie van de Zaag organiseert (met Phil Bloom of travestietheater van Dolly Bellefleur) brengt hij soms wel duizend man op de been, 'Onze manier van kijken spreekt aan.'

Van de verkoop van zijn tijdschrift - steeds in een oplage van zo'n duizend stuks, verspreid in vijftig erkende boekhandels - wordt hij niet rijk. ‘Drie keer eten per dag is genoeg.' De subsidie van het Produktiefonds – vijfduizend gulden per jaar - is niet toereikend. ‘Maar ik wil geen knieval maken. Kunst gedijt niet met democratie.'

In de boekenkasten van zijn huis rijgen de bundels zich tot één lang gedicht aaneen. ‘Ik verkies poëzie boven proza. Een roman heb je na een paar keer Iezen wel gezien; een gedicht is een boek dat je nooit uit krijgt.'

Zelf dicht hij al sinds zijn vroege jeugd - uit nieuwsgierigheid, uit levenslust en taallust. 'Ik wil mijn kinderlijke manier van kijken niet kwijtraken. Witte pagina's bieden werelden vol mogelijkheden.' Zijn beste gedichten bezorgen hem rillingen. ‘Ze schudden me wakker. Het is een fysieke gewaarwording waaraan ik verslaafd ben. Ik durf ze bijna niet te lezen.'

Ze zijn, in De Zingende Zaag, stille getuigen. 'Dichten is slijpen, vergaren, schrappen. Soms heb je mazzel, soms niet. Als je uiteindelijk op de bovenste sport van de ladder staat moet alles samenvallen. Hef je de handen in de hoop op goddelilke genade.'

Van dat soort uitspraken krijgt hij de zenuwen. 'Iedere formulering is onvolledig. Slaat dood wat in ontwikkeling is. Ik moet niet alles willen benoemen. Poëzie is een mysterie. Gelukkig maar, anders zou ik er mee ophouden.'

Hij heeft het warm. Als de druk te groot wordt waait hij uit op de stranden vlakbij zijn geboorteplaats Haariem. Daar waant hij zich onderdeel van de natuur, net als Dick Hillenius over wie hij een boek hoopt te schriJven. Kijken, leerde hij van de dichter/bioloog, doe je niet volgens de regeltjes. 'Laatst las ik in Reader's Digest - ja, dat lees ik, alles is materiaal - een interview met een Franse chef-kok. Pimpernel smaakt volgens de regels naar komkommer. Maar hij ontdekte, door simpelweg zelf te proeven, dat het meer op groene hazelnoten lijkt. Hij verwoordde de kern van het dichten: schrijf vooral de mooiste dingen op, maar wees ook eerlijk, reken af, zeg iets over jezelf.'

Als Moormann de waarheid spreekt, zingt hij een lofzang op Haarlem. Voor het raam mijmert hij over de St. Bavo. De trotse kerk is de inspiratiebron van een bundel Iyrische portretten die komend jaar, als de stad 750 jaar bestaat, moet verschijnen. Moormann woonde tijdens zijn studie Literatuurwetenschap een paar jaar in Amsterdam maar keerde terug naar zijn geboortestad. ‘Ik word niet gelukkig van rumoer en grachtengordelfeestjes. Afstand loutert.'

Dankzij zijn vriend Ruud Douma, die als Dolly Bellefleur in kleine theaters furore maakt, komt hij nog wel eens op onverwachte plekken. Van Haarlem naar Schagen en Hippolytushoef. ‘Ruud trekt zijn jurk aan en doet hem tenslotte ook weer uit. Alsof hij op weg is naar een gedicht.'

De geestelijk vader van De Zingende Zaag heeft grote bewondering voor de verrichtingen van zijn levenspartner. ‘Opgeschoten jongens en meisjes herkennen de acteur niet achter de travestie. Maar zelfs in cafés waar de bierglazen door de lucht vliegen, brengt Ruud communicatie tot stand. Hij spreekt slechts een woord, en zal daardoor zijn publiek veranderen.’

Als dat toch ook eens op 9 december zou gebeuren! Dan begeeft de uitgever/dichter zich, voor even, naar Amsterdam, voor een door de Stichting Perdu georganiseerde discussie-avond over het manifest. ‘Confrontaties met open vizier. Ik hoop dat de oogjes nu al twinkelen en tintelen.’
Moormann durft niet in een jurk. Maar graag wil hij, als Dolly Bellefleur op het podium, in zijn gedichten en betogen het onzichtbare zichtbaar maken. Toverstafje, tinteling, en het wonder is geschied. De kleine demon in hem is opnieuw geboren.


Terug naar boven

Bibliografie
PoŽzie
Woord en Beeld
De tweede stem
Masterclasses
Audio-visueel

Pers