De laatste obool
voor lucebert
- in het licht van het licht -

bij teiresias, nu zal je aangekomen zijn
op de boegspriet gezeten zal je
je donker en dronken gelijk ervaren;
op afstand zijn we vliegen, is zelfs een danser
een klompje van was.

bij brecht, alsof er niets gebeurd is
schijnt over de bloedakkers de zon,
blijven ook wij veergeld schuldig;
wij die het onaanschouwelijk leven
hoorbaar maken.

bij borges, keer op keer sloeg je
je glazen hoofd tegen een openstaand raam,
stak je je ogen, licht als een schaduw,
door de gehavende pen van een zwaan; werd keizer
om het piepen der jongen.

het laatste muntje is gevallen,
de telefoon gaat drie keer, we nemen op:
twinkeling van amuletten op gelukmakende speelplaatsen,
een tong van spraakmakend dons ‑ de fluister
van zwart fluweel.

uit De Gelukkige Schrijn, De Zingende Zaag Producties – Haarlem, 1994