Waar je bent

Vaar maar, daar waar overal hetzelfde
je weet het beter geen bocht dezelfde is
jij die pet op pet af, gouden tressen
noch in zoet noch in zout wortel schiet
die eerst zijn te grote dan te kleine snor
het liefst z˚n massief eiken vloer masseert.

In de la met kapotgebeten pijpjes, twee
parkietjes op de schouder, zoekt hij naar de
met kroontjespen geschreven brief
die waarin hij O, Captain! My, Captain!
moeder vraagt om thuis te mógen komen
die hij ruwe zeebonk als een hoedje opzet

huilend maar als zij de deur opent
gekscherend als een zilvermeeuw.


Scheepmakersdijk