De verduistering

Er moet mij niets in de weg staan,
want ik heb het zo nodig
de lege vertrekken, de open deuren,
de vitrages die hun handen
uitstrekken naar de gracht,
hun schaduwen op het wit van de wanden, de verkoeling
die deze leegte biedt, en omdat ik niet anders kan,
verslijt mij maar voor ouderwets, op een verdwaalde bank,
een groot bed of aan een stevig bureau,
je mond vol scherpe tanden, de vileinde rouw die
klauwen eigen is.


Bakenessergracht 89