De Kloostergangen

Onder een witgepleisterde hemel
luistert een predikheer in ghelijckenissen ende in
verborghenheiden naar het gemurmel van de beek,
schudt zijn hoofd om het oprukkend verkeer van buiten,

richt zijn blik wederom op de acht kruisgewelven,
bidt om zonnestralen, klaarheid die schaduw biedt,
volgelopen schimmen die in alle deugden en al de waarheid
precies bij zulke hoge raamwerken passen,

hoort de kok vloeken die z’n snoek weg voelt glippen,
die zich smakelijk en wel een uitweg zoekt onder
de zuidelijke kloostergang naar de Koningstraat
om in der sonnen claerheit het Spaarne te vinden.

Zuiver en zonder omwegen
het onderwater dat z’n rover roept,
onvoorwaardelijk de stroom of stem
die hemel- en grondwater verenigt.


Spaarne 36