Spaarne 108

1.
Wil je niet worden uitgespogen,
zwijg over het onbestemde
dat zich hier tussen de dingen
ophoudt. We bevinden ons recht boven
de krater en voedingsbodem of niet,
het is niet meer dan gepast je adem in te houden
voor de modderstroom die zo weinig
vloeibaar was, dat ze haast niet wegstroomde,
maar ongeveer ter plekke stolde tot een lijst,
een open deur.

2.
Zo bezig met dit ei, dat je zwevend de
grond raakt, dat je deze uitdragerij als
geen ander verliest. Je trekt aan een neus
en kijkt de ogen uit, je blaft en gromt
als een speurhond. Lahar, lahar, een geur van
mensenvlees maakt zich los. Een schuilplaats
ontdoet zich van haar dagelijkse masker, stof
dat de verschillende gezichten van faeces
slijpt, dit stilstilleven, deze modder die
stolt tot een huid, dit huis, deze paletten.

3.
Hoe leeg dit decor, dit trotse toneel dat
niemand nodig heeft, de langspeelplaat die in alle
stilte wordt teruggegeven, het stuk pakpapier dat
dienst doet als parasol. Want nu jij heen bent,
het werk is meegenomen dat je van hen hebt gemaakt,
dient zelfs geen schaduw. Stof die het bij
leven goed deed als plaatje, doet ons besluiten dat
dit echt, met het oog of met een stoffer, het einde is.
Je maakt en vergeet maar ook dat is overbodig,
want wat je er ook instopt, alles zal óók anders zijn.

4.
Bleek of blozend, slank of mollend? Of je buste nu
zwerft, tikt of uiteenvalt in de modder van een
avondster, er is geen zonneveld dat niet ook anders is.
Of dit licht nu wel of niet herboren wordt, of dit
harig palet nu wel of niet voor niets is gevild, of ook
deze morgen zich tot op zijn nevel in kleuren breekt,
wie zal het zeggen? Onthulling of omhulling, jas of geen jas,
je zal voortbestaan, bij voorkeur in een vrolijke optocht
over blauwgeregende paden, de felle opslag van een iris die het
begin van een strand laat zien, een zee die naar buiten dringt.


Spaarne 108