Een Keizer op Kamers

I.
Drinken we laat, drinken we vroeg,
onveranderlijk en onbeweeglijk het marmer
waarmee een heer zijn nog levenloze have snijdt.

Twee naar voren en een naar rechts,
de genade van het krullend en wriemelend duister
de bokkensprongen van een Arabier in de wei

een dampende mond die tintelend vlees
van bit en breidel bevrijdt,
het sprookje van een gouden bal

die dansend op een straal water hem
met wijsvinger en duim het principe
van de schoonste bladzijde dicteert.

II.        
Een veldfles met cognac, wat sneetjes
geroosterd brood met galantine de veau
een tweede fles rode tafelwijn

het wiel dat nog draait aan een paar
reusachtige trappers, espadrilles waaraan
een voorhoofd en een kus.

De knickerbocker - kalfsleer? -
die hem als gegoten zit, gevaarlijk terrein
en misschien al te ver nu hij de eerste

sleetse plekken ontwaart op een hals
die duidelijk te jong en te glad is,
om een heer die houvast zoekt tot hulp te zijn.

Het verdomde lieve en zachte dat toch niet lichter maakt 
de dwaallichtjes van een pas gezette piercing
die noch naar zwaan noch naar veldzuring ruikt,

het tweede ontbijt
dat hier grommend als een vrolijke picknick
naar binnen wordt gewerkt.

III.
Zou de president nog wel terzake komen
nu de tafelredenaar zulke lange draden spon
en als hij bezig was ons in te pakken

waar bleven dan zijn linten en strik
het feestpapier vol bloemen en waarom
geen oratorisch geladen eerste zin?

Waarom verdraaide hij de boel niet
of trad hij anderszins zijn gehoor tegemoet
niet eens een slogan kon eraf -

de glans van het oude vertrouwde
de zege dat wat er ook moge komen
het al eerder is gebeurd.

Toen richtte hij zijn smeulende sigaar
op hoger regionen en verklaarde dat Van Ruysdael
het nog niet eens zo gek bekeken had

ook al leken zijn cumuli nergens op
ook al zou geen weerman het wagen om in zulke
bloemkolen een trap naar Arcadië te zien.

IV.
Wee het doorschijnend gewaad
van een dansende sater, het lichaam van een Bonaparte
dat wij van keutels en een geraamte voorzien,

de buik vol levers gewikkeld in plakjes spek
gesmoord in madeira het vet dat hij
in een van zijn smerige kokers zal doven,

omvormen tot de fijnste foie gras van het huis
transpiratie die heel gewoontjes
naast gans ook de geur van truffels bevat.

V.       
De mensen slapen
maar een heer vergeet niet licht zijn toilet
zeker niet de grand-seigneur die het verdient

om met vloeipapier en al
als een kostbare schaduw met stem
op zijn elfenbankjes te worden neergezet.

Waar hij ontkurkt en ontledigt
zich nog dagelijks vult
met woorden die wat wrokkig zijn,

de wijnen oranjebitters en graanjenevers
die ‘s middags nog fris na twee keer opstaan
als één zuurbal naar boven komen.

Merkt hoe alleen al de blote gedachte
- de droge klik van zijn vlindermes
en twee of drie kopstoten op de borst -

hem bibombeyere van zijn dunste kroontjespen
en nog fijnmaziger gedachte berooft,
de volmaakte eenheid van twee harten.

VI.
Omdat hij alles bewaarde weten wij
dat hij zichzelf prachtig speelde.
Maar niet altijd even gemakkelijk.

Vandaag slaapt hij op zijn rechter
en heeft twee kussens nodig, om van het leven
te genieten, de aarde trouw te blijven.

Even smaakt hij de wolk die hem bij hoogtij
onzichtbaar maakt, rusten twee handen op
een haast doorzichtig buikpantser.

Dan kwispelt een oog, dat zich maar met
moeite kan onttrekken als weer zo’n klein zwart
vliegertje de wereld op z’n kop zet.

Was het B. niet die V. de Grote Senex noemde,
de Duizendogige? Loopt de klok dan toch achteruit als
men zijn kop tegen de vliegrichting in beweegt?

Is dit wat wij het mooye, het goddelijke noemen?
Hij komt eraan, draait zijn logge lichaam in de lucht,
verliest zich in een salto en slaat mis.


Grote Markt/Brinkmannpassage 41. Hier bevindt zich het Grand Café-Restaurant Brinkmann in wiens kelder zich in de eerste helft van de twintigste eeuw de sociëteit Teisterbant bevond. Eén van de leden was Lodewijk van Deyssel, die hier bovendien van februari 1918 tot november 1918 om de hoek, Barteljorisstraat 46, woonde.