2005-04
GETROUWE SUSTEREN

Alkmaar, Dordt, Groningen en Haarlem
Getrouwe Susteren ik spreek u toe

Ik heb gereisd, gelopen, gevaren
In landen, in rijken, waar schone steden waren

Waarvan ik de namen hier te verklaren
Om tijd te sparen achterwege laat

Maar zo’n  lustige stad, of zo welgelegen
Vond ik niet, als Haarlem in gans de wereld fijn.

Tenzij de monitor mij misleidt in mijn genegen-
Heid, want door affectie kan er wel onverstand zijn.

Laat een ieder eigen huis en eigen haard bezingen:
Wij steken lovend Haarlem de hoogte in.

Wat ben je mooi, wat ben je goed, je scheepvaart
En wildwatervaren op het prachtig onbedorven Sparen

Een waterweg die nauwelijks onderdoet voor Tiber,
Rijn of Moezel en vergeten wij de Amstel en de Amazone niet.

Of het moet net die ene keer zijn dat het ophield
Met waaien, de Bavo niet nieste en het Sparen

Stil viel als een lege spiegel, de mooiste zengedichten
Vloeiden uit mijn pen, terwijl achter mij de

Geraniums tweehoog een obelix zich met
Donderend geweld oprichtte die er niet om loog,

Honderdduizend bakstenen genuanceerd rood
In een ode aan Vrouwe Justitia waarvan je het spijtig

Vindt dat zij haar geblinddoekte hoofd resoluut afwendde
En steeds maar zeurt over geuren die verloren zijn,

Vrouwenpraat over aroma’s of verstuivers
Kermis die enkel in de hoofden van parfumeurs bestaat
De bloeiende boomgaarden rond de stadsmuren
De heuvels en bossen, akkers en weiden,

De geur van hop, het bier dat toen nog rechtstreeks,
Maakt het je uit? uit Haarlems Lethe werd gebrouwen.

Ach, het heeft iets huiveringwekkends
Verdoemd getal te zijn 750 jaar en nog wat

In een eeuwigdurende kalender
Een huisje met sneeuw dat je heen en weer doet schudden

Nu je schommel en je oude windmolen, de toren
Van je kerk voorgoed verankerd zijn

In de felle kleuren van een willekeurig
Pretpark, als bekroning van een snackinrichting

In een wijk waar je liever na zessen ’s avonds
Niet komt. Haarlem heeft toch maar mooi

Alles wat een schrijver hebben wil,
Het goud van de verbeelding frisse zeewind

Maar gelukkig ook het broeierig vuil de stad en de dood
Het puin om de punt van zijn pen te scherpen.

En is het niet voortreffelijk hoe gladjanus Peer
Hier zijn steen in goud gevat elders als Bloemenstad verkoopt?

En getuigt het niet van grote handelsgeest
Een stad, die zuinig op haar bronnen de slechtste wel

Als duurste water weet te verkopen,
Als hemelwater dat rechtstreeks door het filter van de duinen loopt

Maar houdt het stil wordt opgevist
Uit het vervuilde IJsselmeer.

Maar de scone vrouwen binnen hoer stede, ijs of geen ijs
De meiskes heet die half ontbloot buiten spijbelend en stoned rond

De heilige Sint Bavo staan, knapen en ridders die hun broeken
Ontsluiten, vrijgevig niet enkel ten opzichte van de armen zijn.

Haarlem het dunct mij sijn een half paradise, er is geen
Stad die verdichting en extra bouwlagen

Zo hoog in het vaandel heeft staan. Haarlems openbare werken,
Tempels, cultuurpaleizen aangeharkte perken

Met hier en daar een grappig gedraaide drol,
De geur geen walm maar verse olie en verse stront,

Zoals de Haarlemse oliebollenbakker die standplaats Dordt
Door de Haarlems Dagbladjury voor de derde keer

Is uitgeroepen tot beste oliebollenbakker van Nederland.
Haarlem? De mooiste parkeergarage en mooiste kantines,

Het beste goedkoopste en duurzaamste
Stadskantoor ter wereld terwijl in gemeentes Publiekshal

Een Haarlemmer van Afrikaanse afkomst
Zich de polsen doorsnijdt ja om problemen, ja om geld

Terwijl een andere man, blank vijftiger,
Uit pure frustratie

Met kettingzaag een forse eik en beuk om
Eigen plezier zijn gebrek aan pijn velt.

Haarlem het dunct mij een half paradise, zeker
Nu de brandweer eindelijk genoog vrijwilligers heeft

Nu tussen bruinrood baksteen en beschoten daken
De Koningskerk aan de Kloppersingel

De ingewanden van een god werd waar oorlog woedt
Zodat een trieste man niet weet wat zijn

Dag- of wat zijn nachtdromen zijn.
Alkmaar, Groningen, Haarlem en Dordrecht

Getrouwe Susteren
Ik spreek u toe, kijkt u mee hoe

De Haarlemmer Hout die bij haar belegering door
Jacoba van Beieren werd gekapt in 1426

Hier en daar
Ook al is het niet vanaf de maan bekeken

Weer uitgegroeid is tot een waardig stadsbos
Wuivend groen om je gelukkig te wanen,

Te elfder ure of zo maar
Wanneer de fanfare je wakker houdt

Je van pure schrik denkt zout water te piesen
Wanneer ja wanneer is later de dijken niet hoog genoeg

Zullen wij, daar alles verandert
En niets blijvend is

Alle militaire of culturele successen ten spijt
Slechts namen zijn, quid sunt, nisi nomina Thebae

Zal Haarlems glorie net als Troje, Sparta en Mycene
Net als Thebe en Athene slechts stadsklacht of lofprijzing zijn.

Al is de dood een vreemde man met blauwe handen,
Wat hij roept versta ik wel. De troost

Van vreemd speelgoed, een bevroren vijver, een stad
Op de rug gezien. Kringen die net als sporen zichzelf verslaan.

De instapsprong, de lus die niets met niemand verbindt,
De danser en de tekenaar, de belofte van schoonschrift

Poëzie waarmee je moeiteloos moord in droom verandert.
Je bladert van achter naar voor, leest van voor naar achter

En nog kun je niet uitleggen wat ontbreekt. Je drinkt
En drinkt terwijl je vist naar herinnering, ziet na 500 jaren

Opnieuw het volk in een vreemd soort devotie achter
Een man met mijter en staf aanlopen.

En je hoort het haar zeggen. Het mariabeeld dat spreekt.
Al was het maar om duidelijk te maken dat jij er ook nog bent.

'Uit stevig eikenhout gestoken is er slechts een
Die ik toelaat het wonder in mij te zien

Toch zijn er genoeg die luid kabaal verkleed als
Bruidje of kabouter mij wat dan ook toevertrouwen

Die hier niet voor mijn kindje of kuiltje maar
Om bisschops puntmuts, zijn staf en juwelen zich

Verdringen om eindelijk samen o bloem der bloemen
Het eens te worden over de prijs van het goud op mijn hoofd.

Dus driemaal raden altegader waarover de hoi pol loi
Bij Haarlems stadhuis in gebed zal gaan

Vergeving van betaalden én onbetaalden, het
Schrappen van boetes die nog open staan

Vergeving van het bloed op hun liefelijke knuistjes
Waarin hun aflaten van niets voor mens en milieu

Vergeving van de ongenadige prijzenslag, vergeving
Van hun ziekmakende automobielen, hun uche uche

Vijfde of zevende wereldreis, want immer schoongewassen
Zullen zij jaarlijks voor u in processie gaan, met nog maar

Een wens: dat U het bent, O Vrouwe der Vrouwen
Die hun schatjes met een reine glimlach beloont.'

We vissen naar herinnering, lijken wel wat op de stad
Die we niet willen zijn, rammelend en grijs aan de slapen,

Soms krampachtig jong in een nieuw en al te opzichtig gewaad.
O, vooruit als het niet anders kan

Veranderend groen, veranderend blauw maar alstublieft
Laat er nog iets overblijven, voor hen ja voor hen

Dat ze zullen weten waar hij opkomt, waar hij
Ondergaat de zonnestralen die ooit

In een rechte lijn stonden met de Bavo, de plek
Waar Haarlem ooit begon.

Laat ze nog iets van de sterren zien, de hemel
Met de altijd zichtbare Polaris die nu

Weggemoffeld als onderdeel van de Kleine Beer
Middenachter de groenuitgeslagen Engel op het Teyler verbleekt

Weg wordt gewapperd achter het uitgestreken smoelwerk
Van een vlag waar ING Vastgoed op prijkt.

O, wir haben es nicht gewunscht, we hebben het wel geweten,
De arts die de lijkschouwing verricht, de grafdelver

Die voor een passende kist had moeten zorgen, de stad die
Eerst onpasselijk werd, kuchte rochelde als men haar lof toedichtte.

Tot lof van deze liefelijke stad, haar mooie kruiden‑ en binnentuin
Waar men op slot is op slot tevergeefs naar wijngaard of naalden zoekt

Laat hij zijn oor nog net niet hangen naar de schamele fooi
Die men hem biedt om schoolkinderen te gaan pesten met poesiepoesie

Zoekt hij nog naar een nog werkend schietgebed, want het
Was toch maar hier dat men ten stede trots

Fier op haar voortreffelijke afstamming vermocht te zijn
Haar Vlamingen Frans Hals en Lieven de Key en al hun

Nakomelingen die het moet gezegd net ietsje meer worden
Vertroeteld dan de troetelTurken en troetelMarokkanen die

Ook al zijn ze volgens Bolkie geen echte Europeanen
Toch ook migranten, broeders en zusters in Haarlem zijn.

Is het dat wij ooit als tijgers tegen hun voorvaderen vochten
Alleen maar omdat het ook maar zielige Nijlganzen zijn?

Een stad fier en trots op veroveringen nooit gebeurd,
Een stad waar weliswaar moskeeën staan maar

Nog iedere avond de klokjes van Damiate worden geluid
Daar kunnen Dordt en Groningen nog een

Puntje aan zuigen, voor zo'n misdadig goed verhaal legt ook
Alkmaar het a£ In Alkmaar begon de victorie

Maar Haarlem is en blijft wel mooi de grootste vriend
Van dichters en fantasten die de waarheid liegen,

Toch zal ook Haarlem Histonsch Hedendaags
Net als Dordt Alkmaar en Groningen

Worden verslonden door de gulzige tijd
Maar eerlijk is eerlijk zal zij, zo voorspel ik

Net op tijd weten te ontkomen,
Met haar verzonnen zaagschip, op de vleugelslag

Van een trompetterende zaag die op haar beurt genadig de
De dood van de dichter zal stelen: la poesie me volera ma mort

O verhitte efebenfantasie, ik ken je! ik mis je!
Haarlem let toch op uw zaak: zorg dat niets kan maken

Dat je oud of koud wordt
Monogaam als een zwaan zullen ze jou

Stad der steden precies en rechtvaardig prijzen
Je hart op je schouders leggen,

Misschien nog een globe erbij
En maar roepend dat je het heus wel wist

Dat uitgerekend voor jou een nieuwe zondvloed nakende is!
Haarlemmers let toch op en houdt het klein.

Daarachter daarachter
Alle sluizen en drijfgassen van Europa

Daarboven daarboven
Alles tussen de mensen en de goden

Hiervoor hiervoor
Alles tussen wetenschap en techniek

Landinwaarts landinwaarts
Bijna te warm om te zwemmen

Naar zee naar zee
Verdrinken koeien en verzuipt het riet

In nieuwe stadhuizen in nieuwe stadhuizen
Vraagt een nieuwe elite zich af of het water toen hoger kwam

Of men nu eerst Haarlemmer of Europees staatsburger is
En of de geschiedenis zich zal herhalen

Of we nu eindelijk verenigd, net als toen
Wederom worden geschaakt door een stier

Of Haarlemmers eerst, 144 nationaliteiten sterk,
Of toch door bisschop Punts interventie

Direct naar het vagevuur worden gestuurd,
De gemartelde aarde, die boontje om zijn loontje

De stomkoppen eigen schuld dikke bult
Verdiend kopje doet ondergaan.

Haarlem, wat ben je mooi, wat ben je zoet
Wat ben je rein, de liefde die vereenight, de liefde die is zoet.

Alkmaar, Dordt, Groningen en Haarlem
Getrouwe Susteren ik spreek u toe

Ik heb gefietst, gevlogen en gevaren
In landen, in rijken, waar schone steden waren

Waarvan ik de namen hier te verklaren
Om tijd te sparen achterwege laat

Maar zo'n lustige stad, of zo wel gelegen
Vond ik niet, als Haarlem in de wereld fijn.

Tenzij natuur mij misleidt in mijn genegen-
Heid, want door de digitale snelweg

Kan er wel onverstand zijn. Heel de wereld vult mij
En ik heel Haarlem, laat dat gezegd zijn,

Beeldscherm of geen beeldscherm, Zijn of niet Zijn
Tot hier en nu en amen, misschien wel tot de jongste dag

Dat er hoofd aan een stekker, eeuwig leven
Weer een Hansje Brinker zijn vinger in een lekkend gat steekt,

Als stadsratten of stadsengelen niet al eerder
De dijken zullen hebben ondermijnd.

Haarlem, 24 juni 2005 George Moormann
Stadsgedicht ter gelegenheid van Stedenkamp
met de Stadsdichters van Alkmaar (Joost Zwagerman),
Dordrecht (Jan Eijkelboom) en Groningen (Bart FM Droog)
op 25 juni 2005 in de Toneelschuur tijdens Haarlemse Nachten 2