2005-06
TOT DE HOOGSTE LIEFDESBRON

De Faam is een rare kwiebus, zie toch hoe deze
Paradijsvogel bekransten en onbekransten
Voetje voor voetje fladderend naar voren schuift.
Merk toch hoe zij gelovigen en ongelovigen
Volgzaam doet wachten voor kassa’s met baldakijn,
Hoe zij geweten en alwetend, kokend van binnen

Vermomd als waterige zon, geen dubbele dood
Vrezend, dezelfde deernen bestraalt als die M. op
Zoek naar Zijn genade uiteindelijk verfoeien moest.
De Faam is een rebelse engel, die met één knippende
Vinger, zonder tussenkomst van beitel en penseel
M’s Sixtijnse kapel na 500 jaar doet herbeleven.

Een virusvrije hemel waar onbewolkte en betraande
Ogen, golf over golf, cliché na cliché op zoek gaan
Naar een toegang waarvan alleen M. de sleutel had.
De Faam is een Neo-Platoonse engel, die zelfs
Een van de weeromstuit groen uitgeslagen tweeling
In een andere glans doet staan, de Kunst en

Wetenschappen, twee levenslustige Teylermeisjes
Die M. op zijn eind verwenste maar nooit vergat,
Hoe trillend en hoe sprekend hun gat,
Hun zalige Lippen die gericht of geen gericht
Zijn Meester en Toeverlaat – en niet alleen Hem –
Zonder omhaal van woorden vol op de mond zoenden!


George Moormann, Haarlem, 5 oktober 2005
Stadsgedicht ter gelegenheid van de opening van
de Michelangelo-tentoonstelling in het Teylers Museum