2005-07
DE KRAAIENPOTEN VAN FERRON

Links van hem zat netkous, aan zijn
Rechterhand stoppelbaard de dronken adjudant.
Ze praatten over koetjes en kalfjes, het aantal
Meters prikkeldraad en barricades,
Foetussen en breezers waar die jeugd toch…
Bloemenmeisjes smoelenpakjes, opgerekt of niet,
Jongens met of zonder BH, smerigheden,
Vaten olie pis en zweet, om nog te zwijgen

Van omvang en beweging, de wel erg smalle
Taille van stilte die kunstenaars honger is,
Over de kroeg als kloek edoch gevaarlijk ding
De gemakkelijk belachelijk te maken zadelpijn.
Tijden waarin je als eerlijk schrijver
Gewoon op een ouderwetse schrijfmasjien,
Letter voor letter, komma voor komma opnieuw,
Al gauw voor onleesbaar wordt uitgemaakt.

Duistere gekkenpraat of geborrel dat rechtstreeks
Uit de naad van Zwarte Lola of de Etna komt
Terwijl het Jongens! Meisjes! slechts over een ding gaat
Hoe schoonheid en gevaar je staande houden ―
Hoe een dichter in ontzetting, deze kleine klootzak
Zonder vader of god, zich in plaats van zo maar te
Ontlasten zijn hoogsteigen paradijsjes mest en wiedt,
Zie het vreugdeschokje waarmee hij tikt en overtikt,

Met als lakmoesproef een beetje wielrennen kijken,
Waar hij om woorden als wielen kraaienpoten strooit,
Luidkeels lachend om de banen van hun haast religieuze
Onwankelbare positie en gevleugelde zwaartekracht.


George Moormann                        
Haarlem, 1 oktober 2005
Stadsgedicht Opgedragen aan Lilian Blom