2006-01
George Moormann
DE UITDAGING VAN ARISTIDE

U te mogen bespelen, u te mogen begroeten
dankbaar zijn u te mogen aanraken
jodelen van binnen als u zegt ‘Zeg maar jij’
op mijn knietjes voor La Grande Dame liggen alsof
u mij altijd eigen geweest ware, mijn tweede natuur.

Kom op zeg, ik heb het bij Goethe zelf gelezen
dat het een zootje kan zijn bij orgels van naam.
Bij haar gevierde oom Müller liet men er soms
urenlang hekserijen op horen. Kijk dat moeten
we natuurlijk niet hebben op ons Cavaillé-Coll.

Maar ja, maar ja. Stoer klinkende tongwerken,
een stralend plenum, brutaal ogende strijkers en fluiten,
hij zou wel gek zijn als hij er niet opklom, zoals een
rockster met z’n voeten op de toetsen stampend,
met veel gevoel voor spektakel de pijpen

slopend van dat sexy ding? Of zou hij ze toch
denk aan je baan - lekker ouderwets laten schrikken
met veldslagen-en-onweersmuziek? Of zou hij daarmee
te veel spek om haar taille binden? Des mensen zin
wanneer alle registers worden getrokken!

En… zou hij zo’n Notenslag bij Waterloo wel tijdig de kop
weten in te drukken? ‘Weg met die Bach, geef ons heden ons
dagelijkse portie donder en bliksem, gesel ons met uw
hagel en regen, uw gekrijs en gejammer die slechts
voorboden zijn van onze spannende soap De Zondeval!


Stadsgedicht voorgedragen ter gelegenheid van de presentatie
van het gerestaureerde Cavaillé-Coll-orgel op 3 februari 2006
in de Philharmonie te Haarlem